Familie Locher, deel 6: 'Ben jij morgen jarig 1 ?'

Sjirk Johans

 

 

Ben jij morgen jarig?

Ik schrijf dit verhaal op, omdat ik vind dat het niet vergeten mag worden.
Er zijn wel meer mensen, die het kennen.Mijn broers, bijvoorbeeld.En de leerlingen uit de klassen, waar ik het wel eens verteld heb, die weten er misschien nog wel wat van. En de leerlingen van mijn broer Herre, hij vertelde het ook wel eens op zijn school. En de padvinders van de groep van mijn broer Franke, in Canada,hij vertelde het ook wel eens.
Mijn broers spelen een rol in dit verhaal.Ikzelf ook, een heel klein rolletje maar. Het betekent wel, dat dit verhaal echt gebeurd is, we deden er in mee.

Het is al haast vijftig jaar geleden, dat het gebeurde.Ik weet niet meer precies op welke datum of op welke dag.Dat is ook niet eens echt belangrijk, geloof ik. Het gebeurde om ons heen, bij ons in huis,in ons gezin.

Vijftig jaar later begin ik het op te schrijven.



Toen in 1940, het was op vrijdag 10 mei,de Duitse soldaten tegen de Nederlanders begonnen te vechten,dacht iedereen bij ons in de stad, dat ze wel gauw verslagen zouden worden. Dat gebeurde niet, één dag later al, op zaterdagmiddag 11 mei, reden er Duitse pantserauto's onze straat in en stopten net voor ons huis. We hadden net het eten op, op zaterdag kwamen mijn broers pas laat van kantoor, en mijn moeder wachtte altijd op hen met het eten. Ik weet nog heel goed, wat we toe kregen, dat was rijst met rozijnen en boter en suiker. We vonden dat veel lekkerder dan de karnernelksegortepap, die kregen we haast elke dag. Mijn moeder, wij zeiden altijd Mem tegen haar, stond voor het raam toen de Duitsers stopten. Ze keek naar hen, draaide zich art en zei tegen ons: -Ik beloof jullie, op de dag dat ze weggaan krijgen jullie weer rijst. En al die vijf lange jaren van de oorlog heeft ze wat rijst bewaard. Tot er op 15 april 1945, Canadese tanks voor ons huis stopten, dezelfde plek, waar de Duitsers hadden gestaan in 1940.We kregen er geen suiker op, dat was er niet meer. En natuurlijk geen rozijnen.Op die zaterdag in 1940 deed Mem nog wat.
Ze stond voor het raam, toen de Duitsers stopten, ze nam de vitrage die voor de ramen hing, maar die ze altijd open had, en schoof hem dicht. Voor alle drie de ramen van onze voorkamer. -Zo, zei ze, en wees op de Duitsers, die hoeven niet te zien, wat wij hier in dit huis doen. Ze zei dat in het Fries, want we praatten allemaal altijd Fries. Toen de Canadese tanks voor ons huis stopten, was het eerste dat ze deed, haar gordijnen weer wijd openschuiven.
-Zo, zei ze, nu kunnen ze wel weer open.

Er veranderde voor ons eerst niet zo veel, toen de Duitsers de baas waren geworden. Voor ons niet.Maar voor somrnige Nederlanders wel. De Duitsers hadden een vreselijke hekel aan alle mensen die Jood waren. Oude mensen, of kinderen, ze hadden er een geweldige hekel aan. Nee, hekel is niet sterk genoeg.De Duitsers haatten de Joden, ze haatten ze heel erg. Wij hadden daar wel eens van gehoord, we wisten er wel wat van, van wat er in Duitsland met Joden was gebeurd. Er woonden in Sneek wel Joodse families, die uit Duitsland waren gevlucht. Mijn zuster Lo was naaister, en ze had een paar Duitse Joodse dames als klant, waar ze kleren voor maakte. Plotseling merkten we dat de Duitse Jodenhaat vlak bij ons was gekomen.In de straat om de hoek woonde een Jodenman, meneer Piso. Hij had een winkel en verkocht sigaretten en snoep en ook brood.Mensen, die op zondag geen brood genoeg hadden, kochten dan bij hem een brood. Zijn winkel was op zaterdag dicht, dan was het sabbath, maar op zondag was hij open. In de week nadat de Duitse soldaten in Sneek waren gekomen, liepen er een paar door de Kruizebroederstraat langs zijn winkel. Eén van de soldaten zag dat meneer Piso een Jood was en begon tegen de andere soldaten te schreeuwen -Ein Jude, ein Jude, und der Jude hat ein Geschäft. (Een Jood, een Jood, en de Jood heeft een zaak)
Hij pakte een handgranaat uit zijn laars, zo één met een lange houten steel, en wilde die door het raam naar binnengooien. De andere soldaten konden hem nog net tegenhouden. In de volgende jaren werd het voor de Joden in ons land steeds moeilijker.

Nu kom ik eindelijk bij het begin van mijn verhaal.

In Amsterdam woonde de familie Locher, een Joodse familie. Vader en moeder, net hun drie kinderen: Esther, Jakob en Louis, die noemden ze Loekie.
Ze hadden een viswinkel in een drukke straat, maar woonden ergens anders, op een bovenhuis. Meneer Locher had een bestelauto en elke morgen, heel vroeg, reed hij naar IJmuiden om vis te kopen, die de vissers `s nachts hadden gevangen.
Die bracht hij naar zijn winkel in Amsterdam. Samen werkten ze dan de hele dag in de winkel. De vis schoonmaken en verkopen. Het was altijd druk in hun zaak. Zo druk, dat mevrouw geen tijd had voor haar huishouden. Daar hadden ze een meisje voor, dat kookte en deed het andere werk en hield alles schoon.Om eerlijk te wezen, hield mevrouw Locher helemaal niet van huishouden.
Ze werkte veel liever in de winkel. En met die winkel ging het heel goed,ze hadden veel klanten. Tot er op een dag een brief kwam: ze mochten hun winkel, waar ze zo hard voor gewerkt hadden, niet langer houden. Ze waren Joden, en Joden mochten geen winkels meer hebben. Dat zeiden de Duitsers. Joden mochten helemaal niet meer werken van de Duitsers. Hun winkel werd hun gewoon afgepakt en aan een vriend van de Duitsers gegeven. Ze kregen er niets voor terug. Dat was voor Joden niet nodig vonden de Duitsers.
Het zou allemaal nog veel moeilijker worden: ze mochten niet meer in een café komen, of in een restaurant, of in een park, ook niet meer in de dierentuin, niet meer in de speeltuin, niet meer in een zwembad, niet meer in de tram of in een bus, niet meer in de trein en de kinderen mochten niet meer naar hun eigen school. Die moesten voortaan naar een aparte school. Ze mochten, ja, tenslotte mochten ze haast niets meer. Maar, de meeste mensen meenden echt dat het niet meer lang zou duren voordat de Duitsers uit ons land zouden worden weggejaagd en ze deden dus wat de Duitsers zeiden.
Ook de Joden deden het. Bovendien waren de mensen bang voor de straffen van de Duitsers, die waren streng en de straffen werden hoe langer hoe strenger. Toen er een brief kwam, dat alle Joden voortaan op hun kleren een ster moesten dragen, een ster van gele stof, naaiden ze allemaal die ster op hun jas, op hun trui, of op wat voor kleren ze maar droegen. Op hun persoonsbewijs, een kaart met je naam en adres en je foto en vingerafdruk, kwam een grote letter J te staan, de J van JOOD. Er werden verhalen verteld over Duitsland. Daar waren kampen gebouwd waar de Joden moesten gaan wonen om in de fabrieken in de buurt, voor de Duitsers te gaan werken.

Die verhalen leken niet zo erg te zijn, zolang het maar over andere mensen ging. Het duurde niet zo lang, of het ging niet langer over andere mensen, maar over henzelf.

In 1942 kregen ze een brief. Een brief van de Duitsers.Daar stond in, dat ze allemaal naar Duitsland zouden worden gebracht om daar te gaan werken. Alle mannen en alle vrouwen. De kinderen hoefden niet achter te blijven, die mochten mee. Sommige Joden deden het niet. Ze vluchten hun huis uit. Ze lieten alles wat ze hadden, gewoon staan en probeerden met hulp van vrienden uit de handen van de Duitsers te blijven. De Duitse politie en ook de Nederlandse politie maakte jacht op zulke onderduikers als ze gepakt werden, regelrecht naar Mauthausen gingen, een strafkamp in Duitsland. Ook de mensen, die het waagden Joden te helpen, werden streng gestraft. Dus pakten de Lochers wat kleren in een tas of kleine koffer. Ze mochten niet meer mee- nemen, dan ze konden dragen.Op de gevreesde dag gingen ze lopend naar het gebouw waar ze zich moesten melden. Dat was de Hollandse Schouwburg in Amsterdam. In de afgelopen dagen waren er al heel wat familieleden en vrienden en kennissen naar toe gegaan. Er werd verteld, dat er dan in de avond een lange tram kwam, om ze naar het Centraal Station te brengen. Daar zou dan een trein klaarstaan, waarmee ze naar een verzamelkamp in Drenthe werden gebracht. Een kamp in de buurt van het dorp Westerbork.

Later kwam er een trein uit Duitsland om ze op te halen.
-Och, had meneer Locher gezegd toen hij dat allemaal hoorde, mijn vrouw en ik zijn gewend om lang en hard te werken. Dat vinden we niet erg. Het zal misschien niet meevallen, maar we redden ons vast wel.Niemand weet nog wat we daarginds moeten doen, maar we zullen wel zien. Hun buren zouden zolang wel op hun huis passen, hadden ze gezegd. Zo gingen ze de deur uit op die morgen. Waar naar toe ? Niemand die dat wist... Voorlopig waren ze op weg naar de Hollandse Schouwburg. Onderweg zagen ze kennissen en samen liepen ze verder. De kinderen troffen vriendjes van hun vroegere school en Esther kwebbelde met een stel vriendinnen.-`t Lijkt welL of we op schoolreisje gaan, zei er een, lachend.

In de hal van de Hollandse Schouwburg stond een politieman.Ze kenden hem goed, hij kwam al jaren bij hen in de winkel an vis te kopen. Hij liep naar hen toe. -Meneer Locher, luister eens.U moet niet verder gaan. U moet hier niet naar binnen gaan, beslist niet.Dit gaat nooit goed. Dit loopt heel anders dan we denken. Als u gaat, loopt u groot gevaar. U loopt levensgevaar. Geloof mij ! Alstublieft, ga terug. Toen meneer Locher hoofdschuddend weg wilde lopen, ging hij voor hem staan en fluisterde -Ik help u eruit, mijn vrienden en ik zullen u helpen onder te duiken.Als u naar Duitsland gaat zullen ze u vermoorden, dat is zeker. Je kunt deze Duitsers niet vertrouwen. Er komt niemand terug, u niet en uw hele gezin niet. Ze zijn veel gemener dan u denkt. Wanneer u ons vertrouwt, zullen we u eruit helpen.
Mevrouw had al eens gekeken en kwam naar de beide mannen toe.De politieman groette haar, maar praatte niet verder. Hij draaide zich om, maar voor hij wegliep zei hij :-Over tien minuten moet ik weten wat u wilt.Langer kan ik u hier niet laten wachten. Hij ging weer bij de deur staan en keek niet één keer in hun richting.
Meneer en mevrouw Locher gingen in een hoek staan en hij vertelde wat hij gehoord had.
Toen kwamen de moeilijkste minuten van hun leven. Ze moesten kiezen, kiezen tussen twee kansen. Beide waren onzeker, maar ze waren bang geworden van de verhalen van de politieman en dan was er nog maar één keus mogelijk. Toen, na tien minuten, hij hun kant uitkeek en vragend zijn wenkbrauwen optrok, knikte meneer Locher.
Jakob en Loekie hadden hun tassen bij de andere bagage gezet en waren met vriendjes buiten gaan spelen. Esther stond gezellig te praten met haar clubje vriendinnen en zo nu en dan hoorde je haar heldere stem boven de anderen uit. Mevrouw liep er heen en fluisterde haar hun plan in het oor. Net als de jongens, gewoon naar buiten gaan, de tas laten staan en dan naar huis komen.
-Och, mama, je bent weer eens veel te bang. We hebben afgesproken, dat we gewoon allemaal bij elkaar zullen blijven, wat kan ons dan gebeuren? Nee hoor, wij gaan
gewoon op reis en we zien wel wat voor werk we moeten doen. Ze draaide zich om en liep naar haar vriendinnen terug.

De politieman had het allemaal zien gebeuren. Hij keek naar de klok en knikte.

Meneer Locher stond in de zakken van zijn jasje te zoeken. Hij keek in z'n portefeuille, schudde z'n hoofd en liep naar de deur.-Ik ben vergeten de brief mee te nemen, zei hij, die ligt vast nog thuis.Zal ik hem gauw gaan halen? De agent werd boos, maar liet hem en zijn vrouw naar buiten gaan. Ze keken naar Esther, maar die bleef bij haar clubje staan.
-Schiet toch op, we hebben niet de hele dag de tijd hier, mopperde de agent, en ze liepen weg.

Dat is het laatste, wat ze van Esther zagen, nee-schudden en lachend met de andere meisjes. Ze is diezelfde avond met de trein naar Westerbork gebracht en later naar Duitsland. Waar ze terechtgekomern is, weet niemand. Wat er met haar gebeurd is, precies met haar gebeurd is, weet niemand. Ze is gewoon verdwenen en nooit meer teruggekomen. Vermoord door de Duitsers. Met zoveel anderen.

Toen de Lochers buiten kwamen, namen ze beide jongens mee.
-Laat je tas staan en loop met ons mee. Straks zullen we jullie wel vertellen wat er gebeurt. Door andere straten dan ze `s morgens gekomen waren, gingen ze terug. In hun eigen straat was het gelukkig stil en ze gingen vlug naar binnen. Toen moesten ze wachten. Wachten duurt lang, vooral als je bang bent, en bang waren ze echt wel. Wât zou er nu komen ? Waren ze verstandig geweest, of zouden ze toch maar niet terug gaan naar de Schouwburg ?

Aan het eind van de middag werd er aan de deur gebeld, het was de politieman. Hij was in burger, hij had zijn uniform niet meer aan.
-We beginnen met alle gele sterren van de kleren af te halen. Daarna moet u alle plekken, waar ze gezeten hebben, goed borstelen met een harde kleerborstel.Dan gaan de gaatjes, waar de draden gezeten hebben, weer dicht en zijn ze niet meer te zien. Dat deden ze.
-En trek nu zoveel mogelijk kleren overelkaar aan, als u kunt. We kunnen zometeen geen grote koffers meenemen. Een tasje, meer niet. Dat valt teveel op. En neem al uw sieraden mee, mevrouw, alles wat u hebt aan goud of zilver. Dan hebt u altijd iets om mee te betalen, als dat nodig is. Meneer, u moet alle geld, dat u huis hebt, meenemen, alles wat klein is en waardevol.

Als het bijna donker is, gaan ze het huis uit. Met hun gids gaan ze, door stille straten, en zo komen ze na een poos lopen, terecht op het terrein van de Volkstuinvereniging. Mensen uit de stad hebben daar een stuk grond waar ze van alles op verbouwen. Groente en bloemen en zo. Sommigen hebben er een klein houten huisje gebouwd. Daar bewaren ze het tuingereedschap in en als het mooi weer is, blijven ze er soms het hele weekend. Maar, dat laatste mag niet meer van de Duitsers. In één van die huisjes kunnen de Lochers zich voor de Duitsers verschuilen. Het is al donker, wanneer ze er komen, en zonder licht te maken, moeten ze zich installeren voor de eerste nacht.
-We zijn al begonnen een adres te zoeken, waar u kunt onderduiken, zegt hun gids.
-Ik weet niet, of u dan wel met uw vieren bij elkaar zult kunnen blijven. Dat kon wel eens heel moeilijk worden. Ik denk, dat we voor beide jongens een ander adres zullen moeten zoeken, maar, dat zien we wel. Het is ook voor de mensen, die u helpen, erg gevaarlijk en haast niemand durft vier Joden onderdak te geven.

Daar zaten de Lochers. Ze hadden de stap gezet en konden niet meer terug. Werden ze door de Duitsers gepakt, dan gingen ze regelrecht naar een strafkamp. Maar, ze moesten ook oppassen voor Nederlandse verraders. Een NSB-er, of eentje, die graag de dertig gulden wilde verdienen, die je kreeg van de Duitsers wanneer je een Jood aanbracht. Hun leven was nu alleen nog onzeker...

In het huisje was niet veel ruimte, je zat elkaar voortdurend in de weg. Er waren geen bedden, alleen maar een smalle bank, getimmerd van een paar planken, daar kon net één op liggen.
-Die is voor mama, zei meneer, wij slapen wel op de grond. Er waren wel een paar dekens voor ieder. Geen lekkere wollen, zoals thuis, dit waren oude en al wat dunne.
Er was ook geen w.c. In de hoek, achter een gordijn stond een emmer, met een deksel. Dat zou hun toilet zijn. En de jongens moesten in het donker maar tegen een boom plassen...
Er was ook geen kachel. En geen lamp. Wel was er een soort aanrechtje gemaakt en daar stond een emmer water op, met een grote soeplepel erin om water op te scheppen.
Op het aanrecht stond ook een oud petroleurnstel, een beetje kapot. Natuurlijk zat er geen petroleum meer in, dat was al in geen lange tijd meer te krijgen.
-Daar heb je niet zoveel aan, zei mevrouw Locher, toen ze het de volgende morgen zag.
Die eerste nacht hadden ze erg onrustig geslapen, er waren allerlei geluiden om het huisje heen, geluiden die ze niet kenden. De schreeuw van een reiger, en het gekwaak van eenden in de slootjes. En de hele nacht hoog in de lucht het zware gebrom van vliegtuigen, bommenwerpers op weg naar Duitsland.

Elke dag kwam de mevrouw, van wie het huisje was, een poos in haar tuin werken, om daarna in haar huisje een uurtje op de bank lekker uit te rusten, zei ze tegen de anderen, die daar waren. In de tas, die ze bij zich droeg, zat eten en drinken voor de Lochers.
Die moesten zich de hele dag doodstil houden, anders zouden ze door de anderen gehoord kunnen worden en die zouden dan de politie wel eens kunnen waarschuwen.
Er werd nogal eens wat gestolen van de volkstuinen, men lette dus extra goed op.
Een paar dagen later kwam het bericht dat de mensen van de ondergrondse een adres hadden gevonden, waar de beide jongens naar toe konden om onder te duiken.
Ze zouden aan het eind van de volgende middag gehaald worden.
-Hun schooltas met wat spulletjes, meer kunnen ze niet mee nemen .Dat valt teveel op.

Zo bleven meneer en mevrouw Locher samen in dat tuinhuisje achter. En ze bleven er, nog vele weken lang. Tot het echt herfst was geworden en het niet langer ging. Het was té koud, ook al zat je de hele dag met twee oude dekens om je heen geslagen.
Echt, het ging niet langer zonder kachel...

Einde deel 1


de Boer-Sneek
vitrage dicht
Sneek:Joodse winkel
Amsterdam: Locher
Schouwburg
idem
onderduiken
idem
idem
einde deel 6